De plegerproblematiek bij mensen met een verstandelijke handicap verdient specifieke aandacht. Volgens onderzoek van van Berlo (1995) vormen zij de grootste plegergroep bij van het misbruik van andere verstandelijk gehandicapten.
In het onderstaande komt de begeleiding en behandeling van plegers met een handicap aan de orde.
Voordat we ingaan op de begeleiding en behandeling van verstandelijk gehandicapte plegers, lichten we eerst de specifieke kenmerken van de plegerproblematiek toe en de noodzaak van diagnostiek.

Overeenkomsten met normaal begaafde plegers
Verstandelijk gehandicapte plegers vertonen veel overeenkomsten met normaal begaafde plegers. Zo is er sprake van:

  • handelen/misbruik in het geheim.
  • het bagatelliseren van het probleem / het slachtoffer de schuld geven.
  • planning van het delict.
  • vervormde cognities (kronkels in gedachten, interpretaties, fantasieën, stereotype opvattingen over vouwen en mannen).
  • op zichzelf gerichtheid en het zich moeilijk kunnen inleven in de ander.
  • ontoereikende sociale en communicatieve vaardigheden.
  • een laag gevoel van eigenwaarde.
  • het opzoeken van zwakkere, kwetsbare personen (maar minder geraffineerd dan bij normaal begaande plegers).

Verschillen met normaal begaafde plegers
Naast overeenkomsten met normaal begaafde plegers zijn er ook opvallende verschillen:

  • De ontstaansgeschiedenis van het pleger zijn is anders door gebrek aan intelligentie en een verstoorde of verminderde sociale en emotionele ontwikkeling.
  • Delictplanning gebeurt niet of minder minder op grond van fantasieën, maar wel door ervaring op te bouwen.
  • De pleger is minder goed in staat tot het voorbereiden en verhullen van daden.
  • Het gebrek aan vaardigheden en sociale angst kunnen de oorzaak zijn van bepaald seksueel gedrag zoals exhibitionisme, maar heeft niet altijd een seksuele betekenis.
  • Het delict kan een uiting zijn van (door de omgeving ontkende) gefrustreerde seksuele gevoelens of onhandigheid tot verder (seksueel) contact.
  • Een afwezige of niet ontwikkelde impulscontrole.
  • Er is vaak sprake van minder ‘zware’ seksuele delicten / minder penetratie dan bij normaal begaafden. Er is minder gebruik van geweld, maar wel wordt het slachtoffer vaak heel onverwacht benaderd.
  • Het is aan de pleger nog moeilijker duidelijk te maken dat hij de weerstand bij het slachtoffer heeft moeten doorbreken. Ook de ontkenning van het delict is vaak sterker (ook al liggen alle bewijzen op tafel), maar er is minder raffinament bij het ontkennen.
  • Bij het bekennen van een delict wordt regelmatig veel meer toegegeven dan het gepleegde misbruik.

Specifeke problematiek bij verstandelijk gehandicapte plegers
Gehandicapte plegers hebben:

  • een opvallend lage zelfwaardering / negatief zelfbeeld.
  • een verstoorde relatie met een of beide ouders / onveilige hechting.
  • emotionele (en pedagogische) verwaarlozing / ongunstigere sociale achtergronden.
  • vaker het gevoel ongewenst te zijn, zijn vaak veel gestraft zijn en hebben vaker traumatische ervaringen.
  • minder copingvaardigheden / minder goed met stress kunnen omgaan.
  • vaker angst om stom gevonden te worden en een neiging tot zichzelf overschreeuwen.
  • vaker (vage) onlustgevoelens die kunnen leiden tot driftaanvallen.
  • vaker een verstoord sociaal leerproces en gebrek aan sociale vaardigheden om op een geaccepteerde manier contacten te leggen en om te kunnen gaan met affectieve problemen.
  • een verstoorde leergeschiedenis rond seksualiteit door: gebrek aan seksuele opvoeding, kennis en vaardigheden; ontkenning en/of onthouding van seksualiteit en/of door ervaringen met geweld (er zijn relatief meer mannelijke slachtoffers).
  • minder geleerd verantwoordelijkheid te dragen voor hun gedrag.
  • gebrekkige aan mogelijkheden tot empathie en er is sprake van een minder gedifferentieerd gevoelsleven.
  • vaker een zwakkere gewetensontwikkeling en gebrekkigere impulscontrole.

Knelpunten adequate aanpak daderproblematiek
De ernst van de daden van de verstandelijk gehandicapte pleger worden in de regel door zowel hulpverlening als politie/justitie onvoldoende erkend. Vaak nog worden deze daden bedekt ‘met de mantel der liefde.’ Men acht de verstandelijk gehandicapte niet verantwoordelijk voor zijn daden, of zijn daden worden gezien als ‘seksuele experimenten’ waar hij wel ‘overheen zal groeien’. Frits Bruisma (1996) spreekt dit tegen en constateert dat dit zelden het geval is. Als de daden van een verstandelijk gehandicapte niet serieus worden genomen, kan deze aan het begin komen te staan van een carrière van seksueel misbruik met vele slachtoffers. Bruinsma constateert verder dat men bij een verstandelijk gehandicapte zedendelinquent in veel gevallen tot een aanpak komt, zonder dat er sprake is van een nauwgezette diagnostiek en wordt stilgestaan bij hoe / waardoor de dader tot dit gedrag is gekomen. Het gevolg kan zijn dat de gekozen ‘oplossing’ het plegergedrag zelfs versterkt.

Soms worden daders niet voldoende begeleid vanwege de antipathie die er bij begeleiders en hulpverleners bestaat. Ook zijn hulpverleners vaak niet bekend met seksuele gedachten, gevoelens en gedrag bij cliënten, waardoor zij niet adequaat kunnen begeleiden.

Noodzaak van diagnostiek
Goede diagnostiek is van groot belang om duidelijk te krijgen wat achterliggende (persoons) factoren zijn; in hoeverre het dadergedrag samenhangt met de verstandelijke beperking en wat uitlokkendende en instandhoudende factoren zijn in de persoon zelf en de omgeving waarin de persoon in kwestie leeft. Een goede diagnose moet uitwijzen waarom deze man of vrouw op dit moment tot plegergedrag is overgegaan.

  • Het onderzoek beschrijft het type plegergedrag.
  • Het onderzoek beschrijft ook de ontwikkeling van de persoon; de gewetensfunctie, levensgeschiedenis en zaken als: sociaal inzicht; abstractievermogen; verbale expressie; impulscontrole; voorstellingsvermogen; internalisatie van normen en waarden en de wisselwerking tussen eigen beperkingen en (inadequate) reacties van de omgeving.
  • Daarnaast ook achterliggende factoren van het plegergedrag, zoals neurofysiologische factoren; onrijpe seksualiteit en onrijpe of gestoorde persoonlijkheid; zelf slachtoffer zijn van traumatische gebeurtenissen / seksueel misbruik; gebrek aan seksuele voorlichting en gebrek aan externe controle.
  • Op grond van het onderzoek kan besloten worden welke begeleiding en / of therapie is geïndiceerd.

Behandelmogelijkheden
De meest geschikt therapie voor verstandelijk gehandicapte plegers is gedragstherapie (in combinatie met andere therapievormen). De therapie is gericht op:

  • (h)erkenning van het eigen gedrag.
  • inzicht verwerven in denken, voelen en doen voor, tijdens en na het delict.
  • het aanleren van alternatieve gedachten en gedrag.

Behandel onmogelijkheden
Behandeling van verstandelijk gehandicapte plegers is moeilijk zo niet onmogelijk bij personen met een IQ dat lager is dan ongeveer 70. Deze plegers zijn te weinig in staat tot reflectie op het eigen gedrag en dat van anderen. Zij hebben vaker ook te weinig interne controle mogelijkheden en kunnen het in de therapie geleerde moeilijk / niet toepassen in het dagelijkse leven.
De verstandelijk gehandicapte pleger zal intensief moeten worden begeleid in zijn directe leefsituatie door:

  • het bieden van externe controle (door de begeleiding)
  • het in kaart brengen en onder controle houden van omgevingsfactoren die het gedrag in stand houden.
  • een ‘hulpboek’ te maken met leerdoelen en afspraken.

Met dank aan Marianne Heestermans, ASVZ Zuid West, voor het gebruik van haar (cursus) materiaal.

Literatuur

  • Bruinsma, F., De jeugdige zedendelinquent –diagnostiek, rapportage en behandeling, Uitgeverij SWP, Utrecht, 1996.
  • Bruinsma, F., Behandeling verstandelijk zwakbegaafde zedendelinquenten, in Tijdschrift voor orthopedagogiek, 35, 1996.
  • Engelen, D., Zwakbegaafd en strafbaar, in O/25, Tijdschrift Jeugdzorg, september 2002;
  • Grand, A.L., le, Met (terug)vallen en opstaan, diagnostiek en behandeling van licht verstandelijk gehandicapte plegers van seksueel misbruik, NTZ, nr 4, december 1995;
  • Heestermans, M., Ze kunnen er niets aan doen? Inleiding over diagnostiek, behandeling en begeleiding van plegers van seksueel misbruik met verstandelijke beperkingen, ASVZ Zuid West, Sliedrecht, 2005.
  • Le Grand, B., (et.al), Behandeling van zwakbegaafde en licht verstandelijk gehandicapte plegers van seksueel misbruik, Dth 23, maart 2002, pag. 82 – 102